blank

Een leven voor de geboorte? Postexistentie en pre-existentie

Tekstfragment 'Uit de sterren' - Een voordracht in Berlijn, 18 september 1920
Rudolf Steiner

Steun ons

Berichtenservice

Als er één voorstelling is waardoor de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap diepgaand en vruchtbaar kan bijdragen aan de innerlijke ontwikkeling van mensen nu en in de toekomst, dan is het wel de voorstelling dat de mens een voorgeboortelijk bestaan heeft. Laten we eens nagaan wat een dergelijk idee zal toevoegen aan de voorstellingen en gevoelens die lange tijd de westerse mensheid hebben beheerst. Als tegenwoordig een gelovig mens spreekt over een eeuwig bestaan, een onsterfelijkheid van de ziel, dan denkt hij in eerste instantie toch alleen aan een voortbestaan van de ziel na de dood. In de toekomst, wanneer de opvattingen van de geesteswetenschap eenmaal tot een groter aantal mensen zullen zijn doorgedrongen, zal er vooral gesproken worden over het voorgeboortelijk bestaan van de menselijke ziel, over haar verblijf in geestelijke werelden voordat de ziel afdaalt naar het fysieke bestaan op aarde. De aandacht zal net zozeer uitgaan naar alles wat aan de geboorte of aan de conceptie voorafgaat, als naar de gang van de ziel na de dood. We kunnen ons tegenwoordig nog nauwelijks voorstellen hoeveel betekenis deze aandacht voor het voorgeboortelijk bestaan zal hebben voor het hele menselijke leven, niet alleen voor het innerlijke, maar ook voor het gewone dagelijkse leven van mensen.

We hoeven er alleen maar aan te denken wat het betekent als we een nog heel jong kind gadeslaan, als we zien hoe van dag tot dag, van week tot week, van maand tot maand de vorm van het gezichtje van binnenuit gemodelleerd wordt, hoe bepaalde trekken naar voren komen, vervagen, weer verdwijnen, enzovoort. We realiseren ons nog niet in welke geheimen van het bestaan we eigenlijk een blik werpen als we naar zo’n zich ontwikkelend mensenwezen kijken. Met hoeveel innigheid zal zo’n opgroeiend kind worden gadegeslagen, als dat gepaard gaat met het besef: voordat dit mensenwezen verwekt en geboren werd, was het met zijn ziel en zijn geest daarboven in geestelijke werelden, had het daar ervaringen door middel van geestelijke organen, zoals een mens tijdens zijn lichamelijk bestaan ervaringen heeft door middel van zijn fysieke organen.

We kunnen nog wat dieper graven in het innerlijk van de mens, en ons afvragen wat voor een omwenteling dit gezichtspunt ook in de opvattingen van mensen teweeg zou brengen. Neemt u bijvoorbeeld de verschillende geloofsrichtingen die tegenwoordig vanuit hun eeuwenoude tradities de mensen vertellen over een eeuwig leven, over een voortbestaan van de ziel. Laten we niet vanuit een theoretisch standpunt over deze dingen spreken, maar vanuit het leven zelf. Laten we eens nagaan vanuit welke gevoelens en stemmingen het voortbestaan van de menselijke ziel gewoonlijk verkondigd en beredeneerd wordt. Ik doel nu niet op de inhoud van de leer, maar meer op de motieven, de gevoelens die in preken en theologische uitspraken doorklinken.

Nietwaar, een mens kan, helemaal afgezien van wat waar is, vanuit een innerlijk verborgen egoïsme het gevoel hebben: de ziel mag niet oplossen wanneer het lichaam uiteenvalt! Het is eigenlijk zoiets als een innerlijk egoïsme van de ziel dat wenst: ik wil niet oplossen. We kunnen de realiteit van de ontbinding niet verdragen, we verlangen vurig dat de ziel na de dood blijft bestaan. Dit gevoel, dit verlangen naar onsterfelijkheid na de dood, dat is het waaraan prediking en theologische leer vooral appelleren. Dat is de diepere grond van waaruit over het voortbestaan van de ziel gesproken wordt tot mensen van de meest verschillende geloofsrichtingen. Men vindt gelovigen doordat men tegemoetkomt aan het heimelijke, innerlijke egoïsme van de ziel. In feite vertelt men mensen iets waarnaar ze dorsten, waarvan ze het tegenovergestelde absoluut niet willen horen. Door hun te vertellen over een bestaan na de dood, vindt men toegang tot het geloof van de mensen.

Nu weten we uit de geesteswetenschap dat de menselijke ziel inderdaad na de dood blijft voortbestaan, en veel beschrijvingen die in de loop der jaren in onze beweging zijn gegeven, laten zien dat er vanuit de initiatiewetenschap heel gedetailleerd kan worden gesproken over de ervaringen van de ziel na de dood.°

Over wat er werkelijk na de dood volgt, wil ik deze keer niet spreken, maar alleen over de motieven waarvan wordt uitgegaan bij het preken van de onsterfelijkheid. Aan deze motieven kan de geesteswetenschap niet beantwoorden. En dat is vooral niet mogelijk, als het thema het bestaan van de ziel vóór de geboorte of de conceptie is, want in feite komen we dan niet tegemoet aan het egoïsme van de ziel. Gewoonlijk denken mensen er weinig over na, hoe het met hen gesteld was vóór de geboorte of de conceptie, wat voor ervaringen ze hadden voordat ze in een aards lichaam afdaalden. Dat laat hun min of meer onverschillig, daar gaat hun verlangen niet op dezelfde manier naar uit als naar het leven na de dood. Belangstelling voor dit gebied is alleen te vinden bij mensen die de drang voelen het menselijk wezen in zijn geheel te leren kennen, in wie het verlangen leeft om die kracht in de ziel te ontdekken, die als een onsterfelijke kracht werkelijk ten grondslag ligt aan wat wij in de uiterlijke fysieke wereld door ons lichaam zijn.

In onze westerse cultuur, die gedoemd is onder te gaan als ze geen nieuwe krachten kan opnemen, vinden we weinig geneigdheid en ook weinig begrippen waarbij we kunnen aanknopen als we over dit leven van de menselijke ziel voor de geboorte of de conceptie willen spreken. U weet, de kerken beschouwen deze leer als ketterij. Maar de kerken weten niet dat ze op die manier eigenlijk geen christendom prediken, maar aristotelische filosofie uitdragen. Want toen in de middeleeuwen de filosofie van Aristoteles in de kerkelijke filosofie werd opgenomen,° vestigde zich binnen de kerkelijke filosofie de leer dat de individuele menselijke ziel ontstaat oftewel geschapen wordt bij de geboorte, althans bij de ontwikkeling van het embryo in het lichaam van de moeder. En zo werd langzamerhand de mening verbreid dat deze ontkenning van de pre-existentie van de ziel tot de werkelijke leer van het christendom behoorde. Ze behoort er niet toe. Tot de werkelijke praktische leer van het christendom behoort het doordringen in geestelijke werelden, het zoeken van de weg naar de geest. En de weg naar de geestelijke werelden kan niet gevonden worden zonder kennis van de pre-existentie van de menselijke ziel.

Maar de westerse beschaving is geïnfecteerd door de kerkelijke leerstellingen; dat gaat zover dat wij eigenlijk zelfs in de taal geen middel hebben om uit te drukken wat op dit gebied de waarheid is. We spreken immers, voor zover we tenminste nog een religieus wereldbeeld of een zinvol filosofisch wereldbeeld hebben, over de ‘onsterfelijkheid’ van de ziel. Met dat woord ‘onsterfelijkheid’ duiden we al aan dat we feitelijk alleen het sterven ontkennen, niet de geboorte. Want waar vinden we een gangbaar woord dat op dezelfde manier op de pre-existentie wijst als het woord onsterfelijkheid op de postexistentie? Waar vinden we een woord als ‘ongeborenheid’, dat vanuit werkelijk spiritueel inzicht even gerechtvaardigd is als ‘onsterfelijkheid’? Daarin kunt u het beste bewijs zien van wat er in het Westen verloren is gegaan, juist door de invloed van de kerken: de waarheid omtrent het wezen van de mens.° Tot in de taal is die waarheid verloren gegaan. Maar wij moeten tot in de taal toe bewustzijn wakker roepen voor het feit dat de menselijke ziel eeuwig is, dat ze vóór de geboorte evenzeer aanwezig is als na de dood. We hebben net zozeer een woord nodig voor ongeborenheid, als we een woord hebben voor onsterfelijkheid.

En dan, als u aan een voorgeboortelijk bestaan denkt, vraagt u dan eens aan een logica die werkelijk dóórdenkt, of het dan nog mogelijk is niet over meerdere levens op aarde te spreken. U kunt, als u alleen over onsterfelijkheid spreekt, over een postexistentie, natuurlijk geloven: er is dit ene leven, en dan een eeuwigheid van een heel andere aard. Maar dat zult u logischerwijs niet meer kunnen als u over pre-existentie spreekt. Want dan moet u zich afvragen: hoe komt het dan dat de ziel toch niet pas bij de geboorte geschapen wordt? En waardoor zou ze dan enige tijd vóór de geboorte geschapen worden? Kortom, u komt onherroepelijk bij reïncarnatie uit als u over pre-existentie spreekt. En feitelijk is men in geen enkele cultuur ooit tot de opvatting van pre-existentie gekomen, zonder over reïncarnatie te spreken.

Een vruchtbaar denkbeeld

Bedenkt u eens: als deze leer van de pre-existentie nu eens niet enkel als een theorie optreedt, maar als die haar weg vindt naar het hele gevoelsleven en vooral ook naar het wilsleven van mensen, als een mens zich dus voelt als een wezen dat uit geestelijke werelden is afgedaald en zich in een fysiek lichaam geïncarneerd heeft –, bedenkt u eens wat dat voor de hele opvatting van het leven hier op aarde betekent! U bent zich dan bewust hier op deze aarde een bode van de goddelijke, geestelijke wereld te zijn; u weet dat dit leven hier een voortzetting is van een leven in de geest. Alles wat wij aan plichtsgevoel, aan talenten in ons dragen, wordt doorstraald en met kracht vervuld door dit besef, te weten dat de goddelijke machten ons omlaag hebben gezonden naar dit fysieke bestaan. Dit fysieke bestaan krijgt daarmee een opdracht die het zich niet zelf heeft gegeven, maar die het uit hemelse hoogten heeft ontvangen.

Kenmerkend voor de geesteswetenschap is dat ze niet simpelweg tegen het intellect ingaat, maar dat ze het intellect serieus neemt, want de dingen moeten begrepen worden. Maar als we de denkbeelden opnemen die uit de initiatiewetenschap afkomstig zijn, dan doordringen die ons hele menselijke wezen, dan doordringen ze niet alleen onze gedachten, maar doordringen ze ook ons gevoel, onze perceptie van dingen en ook onze wil. Ze geven ons een bewustzijn van wat we zijn als hele mens. Hoe we ons in het leven opstellen, hoe we onze plaats in de wereld innemen vanuit het bewustzijn van de pre-existentie van de ziel, dat zal voor de cultuur van de toekomst buitengewoon belangrijk zijn. Dat zal de mensen doorstralen en versterken met iets wat nodig is om weer boven de krachten van de ondergang uit te komen, die anders zonder enige twijfel de westerse cultuur in het begin van het derde millennium op barbaarse toestanden zullen laten uitlopen.

Maar ook de afzonderlijke gebieden van het maatschappelijk leven krijgen een bijzonder stempel, als ze door een dergelijke zienswijze gedragen worden. Er is zeker ook hier al vaker verteld over de Waldorfschool die in Stuttgart is opgericht.° De bedoeling is dat daar de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap vertaald wordt naar de praktijk van onderwijs en opvoeding. In de pedagogie van de leraren aan de Waldorfschool zijn de abstracte principes die u normaal in pedagogische leerboeken of in door de overheid goedgekeurde methodes kunt vinden, helemaal niet zo belangrijk. Daar wordt het bijvoorbeeld als heel belangrijk beschouwd met welke gevoelens de leerkracht de klas binnenkomt. Een van die gevoelens die van grote pedagogische invloed zijn, waarvan iedere leerkracht doordrongen is, omdat hij of zij vanuit dat uitgangspunt dit beroep heeft gekozen, is de eerbied voor de goddelijke kiem die van dag tot dag, van week tot week, van maand tot maand duidelijker tevoorschijn komt uit het innerlijk van de mens die uit de eeuwige geestelijke wereld naar deze fysieke wereld is afgedaald. Het besef dat de leerkracht – via het menselijk lichaam, dat de poort daartoe is – heeft om te gaan met een wezen dat uit geestelijke werelden is afgedaald, dat besef schept die diepe eerbied die de leerkracht heeft voor het menselijk wezen dat zichzelf psychisch en geestelijk steeds meer in het fysieke lichaam tot uitdrukking brengt.

Of mensen dat tegenwoordig nu geloven of niet: een leraar die deze eerbied voor de wordende mens heeft, heeft een geheime kracht in zich waardoor hij heel anders onderwijst en opvoedt dan een leraar die deze eerbied niet heeft, die meent dat een mens ontstaat op het moment dat hij zich als fysieke kiem losmaakt van het lichaam van zijn moeder. Want het zijn niet alleen begrippen en ideeën waarmee we onderwijzen en opvoeden, we voeden allereerst op met die geheimzinnige krachten en machten die onweegbaar en onmeetbaar overgaan van de leerkracht op het kind.

De pop en de vlinder

Daarvan kan ik een voorbeeld geven dat ik heel belangrijk vind. Een leraar kan erover nadenken hoe hij een kind de gedachte van de onsterfelijkheid zou kunnen bijbrengen. Nietwaar, volgens de tegenwoordige opvatting is de leraar verstandig en het kind dom. De verstandige leraar overdenkt nu: hoe breng ik het onwetende kind de gedachte van de onsterfelijkheid bij? Dan zal hij het kind iets vertellen in deze trant: ‘Kijk eens naar de pop van een vlinder. De vlinder zit daarin, en hij komt eruit en slaat zijn vleugels uit nadat de pop opengebroken is. Precies zo is het met jouw onsterfelijke ziel in je lichaam. Eens wordt je lichaam opengebroken. Alleen is de onsterfelijke ziel dan niet zo zichtbaar als de vlinder, maar voor een geestelijke blik is ze zichtbaar, en ze vliegt de geestelijke wereld in.’ Natuurlijk, zo’n vergelijking kan iemand verzinnen om een kind de gedachte van de onsterfelijkheid bij te brengen. Maar naar mijn idee is het kind daar weinig mee gebaat, als zo’n verstandige leraar van tegenwoordig hem deze gedachte van de onsterfelijkheid voorhoudt, want die gelooft daar zelf niet in. Hij heeft het alleen maar uitgedacht.

Maar als een van onze Waldorfschoolleraren het kind op deze manier de onsterfelijkheidsgedachte bijbrengt, dan is dat iets heel anders. Die gelooft namelijk zelf in dit beeld, die is doordrongen van het besef dat de goddelijke machten zelf het zo hebben gewild, dat de pop en de vlinder die daaruit tevoorschijn komt, het beeld zijn van de onsterfelijkheid van de menselijke ziel. Die is ervan doordrongen dat dit hetzelfde fenomeen is: op een lagere trede de uitkruipende vlinder, op een hogere trede de ziel die het lichaam verlaat. En hij weet dat hij dit beeld niet zelf heeft gemaakt, maar dat goddelijk-geestelijke machten het in de natuur hebben neergelegd. Hij gelooft daar even vurig in als hij het kind daarin wil laten geloven, en op dit geloof komt het aan. Als de leraar dit geloof heeft, dan zal hij het ook op het kind kunnen overbrengen; heeft hij dat niet, is het in hem louter een abstracte gedachte, dan bereikt hij niets met zijn woorden. Want het komt op de gevoelens aan die het klaslokaal binnenstromen, op de gevoelens die in onze ziel worden gewekt door het besef van de pre-existentie.

blank