blank

Wakker roepen – ten geleide bij de ‘Weekspreuken’

Het ‘weekspreukenboekje’ beschouw ik als een van de grootste geschenken van Rudolf Steiner aan de mensen van zijn tijd, maar ook aan die van nu en – naar ik hoop – van ver in de toekomst.
Jana Loose

Steun ons

Berichtenservice

Met verwondering kijken naar jezelf vanuit de kringloop van het jaar en de bewegingen in de natuur, dat is wat de ‘weekspreuken’ met je doen. Ze nemen je innerlijk mee door de seizoenen, te beginnen met Pasen, en voeren je langs de andere jaarfeesten weer naar het begin van de volgende kringloop. Iedere spreuk is een bezinning, een meditatie, waarin de ziel – het meest innerlijke van jezelf – zich verweven ziet met de wereld. Een wereld die niet alleen de aarde omvat, maar zich uitstrekt tot de kosmos, tot de geestelijke wereld.

Het ‘weekspreukenboekje’ beschouw ik als een van de grootste geschenken van Rudolf Steiner aan de mensen van zijn tijd, maar ook aan die van nu en – naar ik hoop – van ver in de toekomst. Bij de eerste uitgave in 1912 gaf Rudolf Steiner aan deze spreuken de titel Seelenkalender mee. De 52 spreuken maakten deel uit van een jaaragenda, eigenlijk wat wij een almanak zouden noemen. In deze ‘almanak van de ziel’ wordt geschilderd hoe de loop van de seizoenen verandert, hoe die veranderingen samenhangen met de aardse en de geestelijke wereld en vooral ook hoe de stemming van de ziel daarop reageert.

Het is voelbaar dat Rudolf Steiner dit werk vanuit inspiratie heeft gecomponeerd, als een kunstwerk. Kunst is niet in de eerste plaats bedoeld om te begrijpen maar om te beleven, om iets nieuws of iets wat diep verborgen was in je wakker te roepen. Dat geldt ook voor de weekspreuken; door er innerlijk mee te leven gaat de inhoud pas spreken.

De jaarcyclus met de vier seizoenen is verdeeld in de tijd vóór en ná het herfstfeest van Michaël. De compositie van de spreuken heeft een bijzonder ritme waarin steeds drie achtereenvolgende spreuken in dezelfde stemming zijn gevat. Ieder seizoen omvat zo dertien weekspreuken met een ritme van 3-3-1-3-3, waarbij de ene in het midden een soort drempelovergang markeert.

Er is een wezenlijk onderscheid tussen de spreuken vóór Michaël en die na Michaël, met Pasen als omslagpunt. In de eerste helft, de zomerspreuken, staat het waarnemen op de voorgrond, waardoor het imaginatieve, inlevende vermogen wordt gewekt. In de winterspreuken komt meer het denken aan bod. Dit contrast is zodanig uitgewerkt dat iedere weekspreuk vanaf Michaël een tegenspreuk heeft in de andere helft van het jaar. Zo klinkt bijvoorbeeld in de eerste regel van weekspreuk 29 uit de tijd na Michaël ‘De lichtglans van mijn denken van binnen krachtig te ontsteken’, terwijl de tegenspreuk 24 begint met ‘Zichzelf voortdurend scheppend wordt zielezijn zichzelf gewaar’. Na Michaël kan het behulpzaam zijn om spreuk en tegenspreuk samen te mediteren. Doordat ze elkaar doordringen zoals waarnemen en denken elkaar doordringen, wordt de kracht van de inspiratie gewekt.

In deze uitgave is één spreuk per pagina opgenomen, zowel in de Nederlandse vertaling als in de originele Duitse tekst, waarbij de weekspreuken vanaf Michaël tot Pasen een voetnoot hebben met het nummer van de tegenspreuk (T).

Bij het spreken of mediteren van de weekspreuken vormt het ritme waarin ze zijn gevat een belangrijk aspect. In zijn vertaling is het Roel Munniks bijna overal gelukt dit ritme, de jambe (kort-lang), te behouden. Dit jambische ritme laat iedere weekspreuk klinken als een aansporing, als een oproep. Het is de oproep om de wereld en tegelijk jezelf te leren kennen.

 

blank