27,50

gratis verzending in Nederland

Het scheppingsverhaal uit de Bijbel staat voor veel mensen haaks op het moderne natuurwetenschappelijke beeld van de evolutie. Rudolf Steiner maakt in deze voordrachten duidelijk dat je aan het begrip evolutie ook een spirituele invulling kunt geven en dat de Bijbel de schepping van de aarde beschrijft als een fase in een groot kosmisch evolutieproces.

Steiner bespreekt in detail de monumentale woorden waarmee Genesis de evolutie weergeeft. Geestelijke, onstoffelijke elementen verdichten zich stap voor stap tot de elementaire toestanden die wij kennen: warmte, lucht, water en vaste aarde. Tegelijkertijd worden de hogere elementen licht, klank en leven aan de schepping toegevoegd. In de evolutiefasen die de Bijbel ‘dagen’ noemt, ontstaan de leefomstandigheden voor telkens een ander deel van de natuur: de planten, de vogels en vissen, en ten slotte de landdieren. Op het allerlaatst verschijnt de mens. Pas dan zijn de omstandigheden zo, dat de mens zich met de aarde kan verbinden en toch ook verbonden kan blijven met de goddelijke wereld.

De theoloog Feike Weeda belicht in het nawoord context en inhoud van deze voordrachten.

Extra informatie

Gesamtausgabe

Druk

1

ISBN

9789060385746

Uitvoering

Pagina's

229

Nawoord

Jaartal

Vertaling

Vormgeving

Fragmenten en achtergrondartikelen

We mogen met het eerste woord uit Genesis beslist niet dat abstracte, schimmige verbinden waar we tegenwoordig op doelen wanneer we bijvoorbeeld de woorden ‘In het begin’ uitspreken.
Vertalen is een scheppingsproces. Taal en scheppen komen bij het vertalen heel dicht bij elkaar. En taal en scheppen, dat is nou net een van de onderwerpen van de voordrachten over het Bijbelse scheppingsverhaal.

Boeken rond hetzelfde thema