32,50

gratis verzending in Nederland

Deze uitgave bevat merendeels niet eerder vertaalde voordrachten, waarin Rudolf Steiner spreekt over het leven na de dood en de verbinding tussen levenden en gestorvenen.

Op haar reis door de planetaire sferen na de dood doet de ziel zeer verschillende ervaringen op. De eigenschappen die op aarde zijn verworven, bepalen het karakter en de rijkdom van deze ervaringen. Verbondenheid met andere zielen en met de hogere hiërarchieën, maar ook eenzaamheid komt op verschillende niveaus voor. Op individuele wijze neemt de ziel nieuwe krachten op voor haar volgende leven op aarde.

Een bijzondere invalshoek van deze voordrachten is de manier waarop de gestorvenen verbonden blijven met de levenden, en ook met de aarde zelf en haar ontwikkeling. Ten slotte spreekt Steiner over mogelijkheden die de levenden hebben om met de overledenen in contact te komen en hen bij te staan.

Met een nawoord van Judith van der Bend.

uw winkelmand

Extra informatie

Gesamtausgabe

Druk

3

ISBN

9789082999822

Uitvoering

Pagina's

335

Nawoord

Jaartal

Vertaling

, ,

Vormgeving

De wereld van de gestorvenen

Eerste voordracht Berlijn 5 november 1912  — 15

Geesteswetenschappelijke inzichten en het natuurlijke waarheidsgevoel. Innerlijke voorwaarden voor deelname aan een spirituele beweging: verdieping en openheid. Vroegere oproep tot geestelijke werkzaamheid kwam van buitenaf: Norbertus. Het innerlijk geroepen worden in deze tijd. Handelen in de geestelijke wereld vraagt rust; inzicht verwerven vraagt innerlijke activiteit. De ziel na de dood. Het inzien van de eigen nalatigheden, gepaard aan de onveranderlijkheid ervan. Geestelijke waarheden in de kunst. Een uitspraak van Homerus. De allegorische figuren van Michelangelo. Moraliteit in het aardse leven leidt tot verbondenheid met andere wezens na de dood, amoraliteit tot eenzaamheid.

Tweede voordracht Berlijn 20 november 1912  — 36

Het menselijk ik. Het ontstaan van het ik-bewustzijn in het kind door botsingen met de buitenwereld. Het in stand houden van het ik-bewustzijn in het latere leven, gepaard aan de afbraak van het lichamelijk organisme. De wederopbouw hiervan in het leven na de dood. Moraliteit op aarde en de Mercuriussfeer na de dood. Religieuze binding en de Venussfeer. Begrip voor alle religies en de zonnesfeer. Het ware christendom gaat boven het onderscheid in geloof, nationaliteit en ras uit. De verhouding van de mens tot Christus en Lucifer in de zonnesfeer. De opbouw van het etherlichaam. Geesteswetenschap als nieuwe toegang tot het mysterie van Golgotha.

Derde voordracht Berlijn 3 december 1912  — 57

De onveranderlijkheid van menselijke betrekkingen in het leven na de dood. Bovenbewustzijn en onderbewustzijn. Hulp van de levenden aan de gestorvenen door ‘voorlezen’. Attent worden op inwerkingen uit de geestelijke wereld. Indrukken uit de wereld van de gestorvenen. De werkelijke verhouding tussen ziel en lichaam. Wat de zon is voor de plantenwereld, is het ik met astrale lichaam voor het fysieke leven van de mens. De verbondenheid van de mens met de macrokosmos. Een middeleeuwse parabel.

Vierde voordracht Berlijn 10 december 1912  — 75

Afbraak van het menselijk organisme tijdens het waakleven; opbouw in de slaap. Verhulling van de opbouwprocessen door de slaap. Bewuste waarneming van de levenschenkende krachten (soma) in het leven na de dood. De aura van de mens in wakende en slapende toestand. De ontwikkeling van de ziel in de opeenvolgende cultuurperiodes. Egyptisch-Chaldeeuwse tijd: onmiddellijke ervaring van de geestelijke krachten in het heelal. Grieks-Latijnse tijd: herinnering aan deze ervaring. Nieuwe tijd: verdwijnen van de herinnering en opkomst van het natuurwetenschappelijke wereldbeeld. De noodzaak tot opwekking van de sluimerende bewustzijnskrachten. Spiritueel inzicht als een ‘fakkel’ in het leven na de dood.

Vijfde voordracht Berlijn 22 december 1912  — 94

Gautama Boeddha. Zijn werkzaamheid in de stroom van de christelijke ontwikkeling vanaf de geboorte van Jezus. Franciscus van Assisi, een Boeddha-Christus-leerling. De onverenigbaarheid van het Boeddha-leerlingschap met de moderne cultuur. De neergaande ontwikkeling op Mars tot de zestiende eeuw. Nicolaus Copernicus en Nicolaas Cusanus. De dreigende tweedeling van de mensheid en de uitzending van Boeddha naar de Marssfeer door Christian Rosenkreutz. Het Boeddha-leerlingschap van de zielen na de dood in de Marssfeer.

Zesde voordracht Berlijn 7 januari 1913  — 109

De voorbereiding van de volgende cultuurperiode en het mysterie van de graal. De verhouding van de mens tot de kosmos: het vraagstuk van de onsterfelijkheid. Het ware ik en het voorstellings-ik. De ontwikkeling van het kind: lopen, spreken en denken. De strijd van de Geesten van de Vorm met de luciferische geesten. Het hoofd van de mens; de hersenen als verst ontwikkeld orgaan. Het opleven van het ware ik tussen dood en nieuwe geboorte.

Zevende voordracht Berlijn 14 januari 1913  — 119

De zevenjaarscycli in het leven van de mens en gebeurtenissen die deze cycli doorkruisen. Het opfl itsen van het ik-bewustzijn. De vormgevende activiteit van de Geesten van de Vorm. Het afsluiten van de groei door luciferische vormgeesten. Samenvatting: de twee evoluties in de mens. Het verschijnsel ‘publieke opinie’. Autoriteitsgeloof. Paulus over de ‘eerste Adam’ en de ‘hogere Adam’. De verschralende spirituele erfenis uit het leven na de dood. Het doorstralen van het zieleleven door het mysterie van Golgotha. Boeddha’s werkzaamheid op Mars als tegenwicht tegen de uniformerende publieke opinie. Polariteit en harmonie in de kosmos.

Achtste voordracht Berlijn 11 februari 1913  — 139

De natuur: herinneringsvoorstellingen van de goden. Het opbouwproces tijdens de slaap en het afbraakproces in het waakleven. Het herscheppen van het lichaam na de dood. Inwerking op de erfelijkheidsstroom. Het wordende lichaam als buitenwereld, het universum als binnenwereld van de mens in het leven na de dood. De ontwikkeling vanaf de EgyptischChaldeeuwse tijd: toenemende desinteresse voor de zintuiglijke wereld. De verschraling van het innerlijk van de mens. Geesteswetenschap als levenselixer.

Negende voordracht Berlijn 4 maart 1913  — 155

Het leven na de dood als nawerking van het laatste leven op aarde. Oorzaken en gevolgen van verschillende gedragingen in het totale leven van de mens. Afwijzing van de spirituele wereld leidt via ongevoeligheid en luciferische inmenging in het leven na de dood tot handigheid zonder scrupules. Egoïstische religiositeit leidt via hypochondrie en ahrimanische beïnvloeding tot een gebrekkig denken. De mens in het leven na de dood als medewerker van de machten die opbouwend of afbrekend in de wereld werkzaam zijn. Werken uit plicht of uit enthousiasme. Wil of onwil zich te voegen in de omstandigheden. Het overbruggen van de kloof tussen levenden en gestorvenen. ‘Voorlezen aan overledenen.’ Leven met antroposofie: ‘Een grote liefde is de dochter van een grote kennis.’

Tiende voordracht Berlijn 1 april 1913  — 174

De beschrijving van het leven na de dood in het boek Theosofie vergeleken met de beschrijving in deze voordrachten: weergave vanuit de ziel tegenover weergave vanuit kosmisch perspectief. De maansfeer of de kamaloka-tijd. De Mercuriussfeer: het gebied van het zielelicht. De Venussfeer: het gebied van de actieve zielskracht. De zonnesfeer: het gebied van het eigenlijke zieleleven. Het loslaten van de laatste incarnatie. De Marssfeer: het continentale gebied van het geestenrijk, de oerbeelden van het fysieke leven. De Boeddha-impuls. De Jupitersfeer: het oceanische gebied. Het loslaten van de religieuze overtuiging. De Saturnussfeer: het luchtgebied. De sterrenhemel: het vierde gebied van het geestenrijk. – De impulsering van de cultuurontwikkeling vanuit de sterrenhemel. De impulsering van het innerlijk leven vanuit de zonnesfeer. Christus en de geboorte van de aarde-ziel.

Elfde voordracht Berlijn 16 november 1915  — 192

De korte tijd tussen geboorte en dood in verhouding tot de lange tijd tussen de dood en een nieuwe geboorte. Algemene erfelijkheid en individuele vormgeving van het fysieke lichaam. Het ik-bewustzijn op aarde. Het behouden van het ik-bewustzijn na de dood door het waarnemen van het levenspanorama. De geboorte op aarde en de geboorte in de geest. De verwerking van het leven overdag tijdens de slaap. Het verband van het kamaloka met het slaapleven in de vorige incarnatie. De spirituele hulp van jong gestorvenen aan mensenzielen die op het punt staan zich te incarneren. Het sterke spirituele gehalte van de terugblik van jong gestorvenen. De betekenis van het in groten getale sterven van jonge mensen.

Twaalfde voordracht Berlijn 18 november 1915  — 212

Bij de dood van Sophie Stinde. Directe en verder reikende gevolgen van grote historische gebeurtenissen. De geestelijke configuratie van Europa als gevolg van de strijd van de Germaanse tegen de Romeinse volkeren. De verwantschap van het catacombenleven van de eerste christenen en de latere verbreiding van het christendom met het leven van de antroposofie. Het ik-bewustzijn in het fysieke lichaam. De geestelijke wereld als een wereld van louter wezens. Het bewustzijn na de dood: de wereld bevindt zich ín de mens. Het verschil in het leren kennen van zielen van andere gestorvenen en van mensen op aarde. Het in zich opnemen van de uitwerkingen van de daden op aarde in het kamaloka-leven. Karmische gevolgen van het sterven vóór of ná het vijfendertigste levensjaar: een naar buiten gerichte actieve, respectievelijk sterk verinnerlijkte levenshouding in de volgende incarnatie.

Dertiende voordracht Berlijn 20 november 1915  — 231

De wisselwerking van de mens met de verschillende wezensdelen in de na-Atlantische tijdperken. De ontwikkeling van de bewustzijnsziel in de huidige tijd door het zich begeven in het fysieke lichaam. De wijsheid in het etherlichaam, de samenhang met het leven in het astrale lichaam en in hogere zin in het ik. Het binnendragen van onverbruikte krachten in de geestelijke wereld bij een plotselinge dood. Het zijnsbegrip op aarde en het opdringerige zijn van de fysieke wereld in het leven na de dood. Het optreden van idealisten in een wereld doordrongen van praktisch mate rialisme. Vroeg gestorvenen als boodschappers van de geestelijk waarde van het aardse leven; hun nauwe verbinding met het algemeen menselijk leven op aarde. De vruchten van de off ers van jong gestorvenen voor de ontwikkeling van de aarde.

Veertiende voordracht Neurenberg 10 februari 1918  — 251

De eerste omgeving van de gestorvenen: gevoelens van lust en onlust. De tweede omgeving: ontmoetingen met andere zielen. De betrekkingen tussen levenden en gestorvenen. Inslapen en ontwaken als gunstige momenten voor contact. De omgekeerde communicatie. De bijzondere verhouding tot jong gestorven en op oudere leeftijd gestorven zielen. Rouwdiensten. De overledenen zijn onder ons.

Spreuken voor gestorvenen  — 273

Nawoord en aantekeningen Nawoord (Judith van der Bend)  — 277

Aantekeningen bij De wereld van de gestorvenen  — 307

Aantekeningen bij het nawoord  — 324 Aanvullende literatuur  — 327 Levensoverzicht  — 329 Rudolf Steiner / Werken en voordrachten  — 333

Een bundel van indringend gedetailleerde voordrachten vanuit antroposofische invalshoek over wat je als individu na de dood aan processen door kunt maken. Deze ervaringen staan in nauw verband met de al dan niet gerealiseerde kwaliteiten van het voorbije leven en ze bereiden bovendien mede het karma voor het aankomende aardse leven voor. Er heersen hierbij tal van wetmatigheden, maar het is uiteindelijk de persoon die ervoor kiest om hier individuele kwaliteiten aan toe te voegen. Met name tijdens het aardse leven geldt deze keuzevrijheid. Zo kun je een welbewust een relatie zoeken en onderhouden met (dierbare) gestorvenen. Voor de laatsten betekent dit een grote steun bij vooral het begin van hun weg aan gene zijde. Voor de hier levenden biedt het verzorgen van deze relaties belangrijke mogelijkheden tot inspiratie. De bundel bevat merendeels niet eerder vertaalde voordrachten, in heldere taal vertolkt. Judith van der Bend verzorgt een eigentijds nawoord waarbij zij gezichtspunten van Rudolf Steiner verbindt met onder andere praktische toepassingen op het gebied van stervens- en uitvaartbegeleiding. Met uitgebreide annotaties en een bibliografie. Een bijzonder boek dat veel bijdraagt aan de actualiteit rond het bijna-dood-gebeuren.

Drs. M. Ploeger

Fragmenten en achtergrondartikelen

Voor wie zich al langere tijd met antroposofie bezighoudt, is de wereld van de gestorvenen bekend terrein geworden. Maar in het dagelijks leven is de dood niet altijd zo’n vertrouwde metgezel geweest. Dit nawoord begint met de vraag naar de plaats van de dood in de samenleving, zowel vroeger als nu.

Boeken rond hetzelfde thema